Blijven dansen op de beursvloer

“Ik ben in december voor een deel uitgestapt, maar daar heb ik nu spijt van”, sprak de man teleurgesteld. Het is het klassieke dilemma. Neem je eens een keer wat winst, is het weer niet goed omdat koersen maar blijven doorstijgen. Dus is het een kwestie van blijven dansen. Zo niet, dan loop je het risico als muurbloempje te eindigen.

De kersverse Nobelprijswinnaar Richard Thaler was vlak na zijn uitverkiezing te gast in een financiële ochtendshow. Thaler wordt wel de vader van de gedragseconomie genoemd. Toen ze hem vroegen of hij nog een tip had aan de kijkers, zei hij: “Niet kijken. Zet dat ding uit of switch naar een andere zender. Elke dag naar financiële nieuwszenders kijken is schadelijk voor je financiële en emotionele gezondheid.”

Timing
December en januari zijn van die typische maanden om zaken in een historisch perspectief te zetten. In december blikken we terug, in januari vooruit. Een van meest gelezen uitspraken is het feit dat we nu al meer dan acht jaar met een opgaande beurs te maken hebben zonder een noemenswaardige correctie.

Dat laatste klopt niet, hetgeen ik al eerder in herinnering heb gebracht. In de zomer van 2011 zakte de AEX binnen enkele weken met bijna twintig procent. En meer recent, in augustus 2015, daalde de AEX van 500 naar 420 (-16%).

Daarbij ligt het er maar net aan welk vertrekpunt je neemt. Had je de gelukkige timing om op het dieptepunt van 2009 in de Amerikaanse beurs te stappen, dan had je nu een jaarlijks gemiddeld rendement van 16% gemaakt. Was je echter in de zomer van 2007 gestart, dan lag dat rendement met 6% tien punten lager.

Nu zitten we weer met het fenomeen dat er vrijwel dagelijks nieuwe records worden gebroken. Niet vreemd dat beleggers geld van tafel halen en maar eens een tijdje de kat uit de boom kijken. Van winst nemen is immers nog nooit iemand armer geworden. Dat klopt, maar ook niet rijker, precies het verschil tussen dans en muurbloempje.

Krimp
Misschien is het raadzaam om er wat statistieken bij te pakken. De laatste twintig jaar is het aantal beursgenoteerde bedrijven in de Verenigde Staten gehalveerd, hetzij door faillissementen, hetzij door fusies en overnames. Stockpickers hebben steeds minder om uit te kiezen. De bedrijven die vertegenwoordigd zijn in de S&P500 index kopen nu al negen jaar op rij gemiddeld drie procent van hun eigen aandelen in. Door deze krimp moet een steeds grotere hoeveelheid geld op zoek naar steeds minder verhandelbare stukken.

De consensus voor de schatting van de winst voor alle bedrijven uit de S&P500 index ligt voor 2017 op $132. Dat betekent dat je 21,2 keer de winst van 2017 betaalt. Mensen worden daar zenuwachtig van. Maar voor 2018 ligt die schatting op $153 en zakt die multiple naar 18,3. Voor 2019 staat het winstcijfer op $165 en is de k/w 17. In 1999, vlak voordat de technologieaandelen instortten, stond de k/w op 28.

De laatste twintig jaar is de gemiddelde koers/winstverhouding 19,3 geweest. De laatste vijftig jaar lag dat cijfer op 15,6. Met de huidige lage stand van de rente en de afwezigheid van hoge inflatie zijn cijfers als deze niet overdreven hoog. Dus blijft er ruimte voor verdere koersstijgingen.

De beroemde uitspraak van de toenmalige FED president Greenspan dat aandelen op de beurs leden aan ‘irrationele uitbundigheid’ deed hij in 1996. Hij moest nog vier jaar wachten tot de internetzeepbel knapte. Een succesvolle fondsmanager waarschuwde zijn klanten in 1997 voor hetzelfde. Aandelen waren te duur en kwetsbaar voor een forse correctie. Onlangs gaf hij dit commentaar op die uitspraak: “Ik had gelijk, maar ik was te vroeg.” Een technisch analist zei in dit verband dat niets zo frustrerend is voor beleggers dan een beurs die overdreven hoog staat en zo blijft.

Toeleveranciers
Dit soort uitspraken maakt ook dat we maar vasthouden aan de OK-Score die voor ons het kaf van het koren scheidt. Doordat we potentiële miskleunen op tijd kunnen zien aankomen, blijven we weg van de missers en houden we stabiele ondernemingen over. Hierdoor is de beweeglijkheid van onze fondsen lager dan die van de vergelijkende indices.

Wat al jaren door de selectie heen komt zijn aandelen uit de energiesector. Aandelen van Shell, Total en BP hebben door de gestegen olieprijs (wie had dat gedacht) een flinke inhaalslag gemaakt. De bedrijven die echter achterblijven zijn de toeleveranciers aan de olie-industrie.

In 2014 gaven Royal Dutch Shell, Exxon Mobil, Chevron, Total en BP voor $165 miljard uit aan investeringen. In 2017 was dat $95 miljard. Dit gaan ze merken. Elke dag halen ze meer olie uit de grond dan ze opsporen. Dat kan zo niet doorgaan. Ze moeten weer op zoek gaan naar nieuwe bronnen en velden. Welke drillers ze daarbij kunnen helpen, ik zou het niet weten.